De WIA gaat uit van het principe ‘Werken is Aantrekkelijk’. Als er inkomsten zijn naast een WIA-uitkering worden deze verrekend. Van elke euro die een werknemer met werken verdient houdt hij € 0,30 over. In deze bijdrage aandacht voor methodes om dit te verrekenen.
WGA-loongerelateerde uitkering
Een werknemer die niet volledig én duurzaam arbeidsongeschikt raakt, komt in beginsel in aanmerking voor de loongerelateerde uitkering ingevolge de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Die uitkering bedraagt de eerste twee maanden 75% van zijn dagloon; daarna 70%. Ontvangt de WGA-gerechtigde inkomsten, dan worden deze inkomsten de eerste twee maanden voor 75% gekort en daarna - zolang de WGA-loongerelateerde uitkering voortduurt - voor 70% (artikel 61 lid 1 WIA). De uitkering bedraagt dan 75% (dagloon – feitelijke inkomsten) de eerste twee maanden en daarna 70% (dagloon – feitelijke inkomsten).
Voorbeeld
Jan-Karel gaat een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen. Zijn dagloon is vastgesteld op € 120. Gedurende de eerste twee maanden ontvangt Jan-Karel een uitkering 75% van € 120 = € 90 per dag. Daarna bedraagt de uitkering 70% van € 120 = € 84 per dag. In de tweede maand vindt Jan-Karel parttime werk, waarmee hij € 40 per dag gaat verdienen. Gedurende die tweede maand wordt zijn uitkering vastgesteld op 75% van (€ 120 - € 40) = € 60. Zijn totale inkomen inclusief zijn loon bedraagt dan € 60 + € 40 = € 100. Werken is aantrekkelijk.
Vanaf de derde maand bedraagt zijn uitkering 70% van (€ 120 - € 40) = € 56. Inclusief zijn loon is dat € 56 + € 40 = € 96. Werken blijft aantrekkelijk.
WGA-loonaanvullingsuitkering
Als een werknemer na afloop van de WGA-loongerelateerde uitkering voldoet aan de inkomenseis, komt hij in de WGA-loonaanvullingsuitkering. De inkomenseis houdt in dat de werknemer minimaal 50% verdient van wat hij volgens het UWV kan verdienen, ofwel zijn restverdiencapaciteit.
De WGA-loonaanvullingsuitkering bedraagt 70% (dagloon - vastgestelde restverdiencapaciteit). Hieruit volgt dat niet de feitelijke inkomsten maar de mogelijke inkomsten, worden verrekend. Iedere euro die betrokkene meer verdient mag hij tot het bedrag van zijn restverdiencapaciteit behouden. Meer werken loont dus (artikel 61 lid 4 WIA). Bij het volledig benutten van de restverdiencapaciteit, bestaat er geen verschil tussen de WGA-loongerelateerde uitkering en de WGA-loonaanvullingsuitkering. Dit ligt anders als de restverdiencapaciteit niet volledig wordt benut. In die situatie is de uitkering iets lager dan in de loongerelateerde fase. Echter, als uitkering en inkomen worden opgeteld ontvangt de werknemer meer dan 70% van zijn laatstverdiende loon.
Verlies werk
Hoe zit het nu als een werknemer met een WGA-uitkering zijn restverdiencapaciteit benut maar op enig moment dit werk verliest? In die situatie bestaat er (mogelijk) recht op een WW-uitkering, maar dat geldt niet als inkomen in de zin van de inkomenseis (artikel 3:4 lid 2 AIB). Alleen de bijzondere WW-uitkering die verband houdt met onwerkbaar weer of de faillissementsuitkering, wordt als zodanig aangemerkt. Hierdoor voldoet deze werknemer niet langer aan de inkomenseis en valt terug naar de WGA-vervolguitkering die op een percentage van het minimumloon is gebaseerd.
Inkomsten bij een andere werkgever
Reeds bestaande inkomsten uit arbeid bij een andere werkgever tellen niet mee voor het voldoen aan de inkomenseis voor de WGA-loonaanvullingsuitkering. Het gaat hier volgens artikel 3:2 lid 5 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) om inkomsten die genoten werden bij de aanvang van de wachttijd. Dit komt omdat dit inkomsten zijn die ondanks de arbeidsongeschiktheid voor de ene arbeid doorlopend werden verdiend met andere arbeid. Die andere arbeid komt dus niet in de plaats van de arbeid waar de werknemer voor uitvalt. Daarom tellen deze inkomsten niet mee voor de inkomenseis.
Inkomsten als zelfstandige
Stel iemand werkt deels in loondienst en deels als zelfstandige en valt ziek uit als werknemer en komt in de WIA. Wat zijn daarvan de gevolgen? Als iemand na de WIA-toekenning evenveel blijft verdienen als zelfstandige, worden die inkomsten niet verrekend met de WIA-uitkering omdat dit vrijgestelde inkomsten zijn (artikel 3:2 lid 5 AIB). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) oordeelt echter dat vrijgestelde inkomsten er niet voor zorgen dat aan de inkomenseis wordt voldaan (zie artikel 3:4 lid 2 AIB). Dus ook bij inkomsten naast de WIA-uitkering, wordt niet altijd aan de inkomenseis voldaan, waardoor er na de loongerelateerde fase recht bestaat op een (zéér) lage vervolguitkering in plaats van een loonaanvullingsuitkering.
Geen winst
Hoe zit het nu als iemand naast zijn WIA-uitkering als zelfstandige is gestart maar nog geen winst heeft behaald met de eigen onderneming? Dan is er toch niets te verrekenen? Dat ligt iets genuanceerder. In een zaak die speelde bij de rechtbank in Den Haag moest betrokkene bijna € 5.000 terugbetalen ondanks het feit dat betrokkene geen winst uit zijn onderneming had behaald. Hoe kan dit?
De rechtbank oordeelt dat het UWV de ondernemersaftrek van de Belastingdienst mag kwalificeren als ‘inkomen’. De ondernemersaftrek is een bedrag dat mag worden afgetrokken van de winst, waardoor er minder belasting betaald hoeft te worden. Dit belastingvoordeel mag worden verrekend met de WIA-uitkering.
De conclusie van de rechtbank Den Haag is dat de terugvordering in stand moet blijven. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie van de CRvB waarin het bepaalde dat het UWV geen informatie hoeft te verstrekken over de berekening van de belastbare winst uit onderneming door de Belastingdienst en de samenstelling van de ondernemersaftrek op grond van de Wet IB.
Een werknemer moet zelf onderzoeken hoe het zit.
Inkomsten uit het buitenland
Een werknemer ontvangt inkomsten uit een dienstbetrekking in Duitsland. Volgens hem biedt artikel 61 van de WIA geen grondslag om tot verrekening hiervan met zijn uitkering over te gaan. Daar denkt de CRvB anders over. De Raad vindt de grondslag voor de verrekening van buitenlandse inkomsten in artikel 3:2, eerste lid, onder b, van het AIB, in verbinding met hoofdstuk II van de Wet LB 1964. In artikel 10 van de Wet LB 1964 is loon gedefinieerd als al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Er staat niet dat het binnen de Nederlandse grenzen moet zijn genoten. Dit betekent dat het UWV deze inkomsten mag verrekenen met de WIA-uitkering. Om het Duitse loon te herleiden naar Nederlandse maatstaven moet niet alleen worden nagegaan of de werknemer inkomen geniet dat onder het Nederlandse fiscale loonbegrip valt. Ook moet het Duitse brutoloon worden ontdaan van de bestanddelen die buiten dit loonbegrip vallen. Of dit voor de hoogte van de uitkering na verrekening uitmaakt, moet het UWV onderzoeken.