Een werkgever betaalt per ongeluk een bonus twee keer aan zijn werknemer Henk maar merkt dit niet. Bijna anderhalf jaar later vertrekt Henk, met een vertrekregeling. In de vaststellingsovereenkomst is een finaal kwijtingsbeding opgenomen. Pas vier maanden na het vertrek van Henk komt de werkgever achter de onterechte betaling. Is Henk verplicht de te veel betaalde bonus terug te betalen?
Teveel ontvangen bonus achterhouden, mag dat wel van de rechter?
Taks Equalization Policy
Henk treedt op 1 november 1996 in dienst. Vanaf 1 februari 2021 werkt hij op basis van een detacheringsovereenkomst voor een, aan werkgever gelieerde, vennootschap in België. Hij is daar CEO van de onderneming en tevens (mede) verantwoordelijk voor de financiën. De werkgever past met ingang van 1 september 2021 de zogenoemde Taks Equalization Policy toe. Hierdoor ontvangt Henk voor zijn werk in België netto hetzelfde als het geval zou zijn in Nederland.
Kwijtingsbeding
Henk krijgt naast zijn vaste loon ook jaarlijks een STIP-bonus (Short Term Incentive Plan bonus) uitbetaald. In april 2022 betaalt de werkgever de bonus over 2021 per ongeluk twee keer. Dit blijkt uit de salarisspecificatie van die maand.
Op 17 april 2023 sluit Henk met zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst. Hierin is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst eindigt met ingang van 1 september 2023 en dat Henk tot die datum vrijgesteld is van werk, met doorbetaling van loon en emolumenten. Ook krijgt Henk een bruto beëindigingsvergoeding. Bij de berekening hiervan is over het jaar 2021 gerekend met eenmaal de bonus en niet de dubbele bonus zoals die feitelijk is uitbetaald. Tevens is een allesomvattend finaal kwijtingsbeding opgenomen.
Overwegingen rechter
In januari 2024 laat de werkgever Henk weten dat nu pas geconstateerd is dat Henk in 2022 per ongeluk twee keer de bonus ontvangen heeft. Deze onverschuldigde betaling zal verrekend worden met het bedrag dat Henk nog tegoed heeft op basis van fiscale redenen. Henk vindt de verrekening onterecht en stapt naar de kantonrechter. Hij beroept zich op het allesomvattend finaal kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst. De rechter is van oordeel dat Henk de onverschuldigde betaling niet hoeft terug te betalen aan werkgever. De rechter overweegt:
- Weliswaar wist Henk op het moment van het tekenen van de vaststellingsovereenkomst dat hij onterecht een dubbele bonus had ontvangen en wist de werkgever dit niet, maar er is finale kwijting overeengekomen.
- Het beroep op dwaling door de werkgever slaagt niet. Het doel van een vaststellingsovereenkomst is nou net het beëindigen of het voorkomen van onzekerheden en geschillen. Daarom dient een rechter terughoudend te zijn met het honoreren van een beroep op dwaling.
- Het finaal kwijtingsbeding is ruim geformuleerd en de tekst is glashelder.
- De vaststellingsovereenkomst is een jaar na de betaling van de dubbele bonus gesloten.
- De werkgever heeft zich bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst laten bijstaan door professionele adviseurs.
- Een beroep van de werkgever op onverschuldigde betaling zoals vastgelegd in art. 6:203 BW gaat ook niet op. Uit artikel 7:902 BW volgt namelijk dat een vaststellingsovereenkomst ook geldig is als deze in strijd is met dwingend recht.
De rechter oordeelt dat werkgever zich moet houden aan de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting en geen vorderingen uit de STIP-bonus op Henk heeft.
Conclusie
Door de ruime formulering van het finale kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst, hoeft Henk de teveel ontvangen bonus niet aan werkgever terug te betalen.
Henk is een gefingeerde naam.