Tijdelijk toegankelijk document uit PayRoll Kennisbank PRO

Genietingsmoment en correctie loonaangifte

Werkneemster Xandra en haar werkgever verschillen van mening over het genietingsmoment van bepaalde loonbestanddelen. Zij wil dat haar werkgever een correctieaangifte doet bij de Belastingdienst en haar vervolgens een gecorrigeerde jaaropgave verstrekt, maar hij werkt hier niet aan mee. Wie heeft gelijk en op grond van welke wet- en regelgeving?

Xandra is van 11 juni tot en met 10 december 2020 in dienst geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Bij de eindafrekening heeft haar werkgever niet alle bedragen betaald waarop ze recht had. Dit betaalt de werkgever pas uit in 2021, als nabetaling, op grond van een met Xandra getroffen regeling. Het gaat om een vergoeding voor meeruren / vrije dagen en de uitbetaling van de bruto eindejaarsreservering en de bruto vakantiegeldreservering.

 

Niet meegenomen in dagloon

Vanaf 11 december 2020 heeft Xandra een Ziektewetuitkering en vanaf 14 november 2022 een IVA-uitkering. Ze denkt dat de nabetaalde loonbestanddelen niet zijn meegenomen bij de berekening van het dagloon voor de Ziektewetuitkering en de IVA-uitkering. Haar uitkeringen zouden hierdoor lager zijn dan zou moeten. Ze verzoekt de werkgever daarom een correctieaangifte te doen ten aanzien van deze nabetaling. Hij werkt hier niet aan mee waarop Xandra de zaak voorlegt aan de kantonrechter. Zij verzoekt de werkgever te veroordelen tot het corrigeren van de aangifte en een gecorrigeerde jaaropgave af te geven. Bij verstek wordt de werkgever hiertoe veroordeeld.

Vonnis vernietigd

In hoger beroep vernietigt het gerechtshof dit vonnis. De nabetaling is gedaan in 2021 en meegenomen in de loonaangifte van 2021. Dit is conform fiscale wet- en regelgeving. De werkgever is verplicht om belasting in te houden op het moment waarop het loon wordt genoten. Ofwel het moment waarop het wordt betaald dan wel vorderbaar en inbaar wordt.
Xandra stelt dat de bewuste looncomponenten in 2020 zijn genoten. Want deze loonbestanddelen moeten worden toegekend aan destijds uitgevoerde werkzaamheden. Dus was dit toen vorderbaar en inbaar. Het hof gaat hier niet in mee. Een vordering is inbaar als aannemelijk is dat de werkgever meteen zou betalen als erom wordt verzocht. Het is aan Xandra om te stellen en voldoende te onderbouwen dat dit zo is en dat heeft ze niet gedaan. Verder geldt voor de looncomponenten vakantiegeld en eindejaarsuitkering dat de specificatie van de nabetaling vermeldt dat het gaat om uitbetaling van de ‘reservering’. Dit betekent dat zij in 2020 nog niet vorderbaar was, maar pas bij einde dienstverband.

Niets gesteld

Wat betreft de meeruren / vrije dagen, kan het zijn dat deze in 2020 vorderbaar waren, maar Xandra heeft niets gesteld waaruit blijkt dat zij toen ook inbaar waren. Feit is dat de werkgever en Xandra na einde dienstverband nog hebben gediscussieerd over de verschuldigde meeruren / vrije dagen. Pas toen zijn deze uitbetaald. Daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat de werkgever de meeruren / vrije dagen in 2020 direct had betaald als Xandra dit had gevraagd.
Het hof concludeert dat Xandra onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om aan te kunnen nemen dat het voor werkgever, op grond van fiscale wet- en regelgeving, mogelijk én toegestaan is de loonaangifte te corrigeren.

Xandra is een gefingeerde naam.

Wet- en regelgeving
art. 28a Wlb
Externe links
Overige informatie
/prol/
Docnr: 269897